van dedem's vaart

De Dedemsvaart

De Dedemsvaart

Door Jhr. L. T. Teixeira de Mattos, Civiel-Ingenieur.


Lees het boek hier en voor meer informatie over de auteur jhr. Louis Frederik Teixeira de Mattos zie hier.

Hieronder volgt het artikel van Rudolph Peter Johann Tutein Nolthenius uit het Algemeen Handelsblad van 31 mei 1903 waarin het boek besproken wordt met daarbij een beschrijving van de totstandkoming en het belang van het kanaal.

"
Het is niet zonder rechtmatigen trots dat de Staten van Overijsel overgaan tot de uitgave van dit bijna duizend bladzijden tellende werk, met bijbehoorenden uitvoerigen atlas, samengesteld door den civiel-ingenieur Teixeira de Mattos, indertijd adjunct-ingenieur bij den provincialen waterstaat te Zwolle. En even rechtmatig is het, dat tegenover het titelblad prijkt de afbeelding van den stichter der vaart: W. J. baron van Dedem. Want wat Van Dedem ontwierp en aanving, heeft de provincie Overijssel voltooid; en het eenige verschil is, dat waar de eene enkel zaaide, de andere k gemaaid heeft. Nu, dat komt meer voor bij financieele ondernemingen, en heeft gelukkig tot nu toe den financieelen ondernemingsgeest nog niet uitgedoofd. Maar wanneer wij nagaan met welke ongehoorde moeilijkheden een particulier had te kampen, die in den aanvang der 19e eeuw een werk wilde uitvoeren van algemeen nut, zich uitstrekkende, uren lang, door verschillende gemeenten dan kunnen wij niet anders dan ons verbazen over de ontzettende geestkracht van dien Overijselschen jonker, en moeten wij ons beschaamd afvragen of nog wel in de tegenwoordige tijden zulke mannen zouden gevonden worden.

Nog in den aanvang der 19e eeuw bestond het noordoostelijk gedeelte van de provincie Overijsel uit moerassen, zich aansluitende aan die van Drenthe en Groningen, en met deze een natuurlijk bolwerk tegen Duitschland vormende. Het eene uiterste punt van die ondoorwaadbare vlakten werd beveiligd door de Bourtange, het andere door de Ommerschans, terwijl de sterkte Coevorden den eenigen weg afsloot, welke door de moerassen voerde. Door de Nieuweschans werd de lijn van fortificatie tot den Dollart doorgetrokken, en door de Bisschopschans tot aan het Zwartewater.

Wel verre van waardeloos te zijn, verborgen deze vlakten in haren waterigen schoot kostelijk hoogveen, dat op zijne beurt bedekte een geenszins onvruchtbaren ondergrond; en toen de tijden rustiger werden, trachtte men dan ook door het graven van turfvaarten dien schat te bemachtigen.

Doch hoewel - gelijk den heer Teixeira uit geraadpleegde archiefstukken blijkt - reeds in de eerste helft der 17e eeuw in deze richting eenige pogingen werden gedaan, heeft het tot het einde der 18e eeuw geduurd, alvorens deze op meer groote schaal werden voortgezet. De familie Van Marie, eigenaresse van uitgestrekte veengronden ten oosten van Hasselt, besloot toen deze te ontginnen door het graven van een kanaal naar het Zwartewater, door de stad Hasselt heen. Maar de stad Zwolle, vreezende door den aanleg van zoodanige vaart haren transiet-handel met Duitschland te verliezen, vereenigde zich met de beide andere groote steden van Overijsel: Deventer en Kampen, en wist dit plan te verijdelen.

Na den dood van den heer Van Marie vatte diens schoonzoon Van Dedem het plan weder op, en wel, omdat de tijden veranderd waren, met gelukkiger gevolg. Want hoe men ook over de Fransche overheersching moge denken, de locale tegenstanden werden er door gebroken, en al eischte het veel diplomatieke behendigheid, de Vergunning tot het graven van de vaart wist Van Dedem van koning Lodewijk te verkrijgen, al moest ook, teneinde Zwolle te gerieven, deze bezwarende voorwaarde worden opgenomen : "dat het kanaal niet voor den, koophandel dienen mocht, noch met de rivier de Vecht vereenigd zoude worden".

" 't Kan verkeeren" zei Brederode, en Zwolle, nog in 1809 zoo bang voor dat kanaal, was na 1820 - toen die stad door de Willemsvaart in verbinding was gebracht met de IJsel - plotseling z happig geworden op het turfvervoer, hetwelk zich meer en meer langs de Dedemsvaart ontwikkelde, dat het later zelfs eene bijdrage aanbood, teneinde met dat kanaal in verbinding te worden gebracht!

Maar intusschen hadden Van Dedem en zijne mede-erven reeds veel verdriet ondervonden. Zij hadden hunne financieele draagkracht overschat. Het graven van een veenkanaal is een moeilijk werk, en levert in de eerste jaren geen voordeel op. Want het veen is eene weeke, drassige, soms zelfs drijvende massa. Het water dat de sponsachtige massa bevat, moet worden afgetapt, zoodat het veen in een staat van bezakking kan overgaan, en zoodoende voldoende vastheid verkrijgen om er turf van te graven.

Daartoe graaft men, wanneer het veen reeds eenigszins is afgewaterd, in de richting van het ontworpen kanaal een greppel of raai, in de veenderijen hoofdraai genoemd, veelal 1 M. breed, en ongeveer even zoo diep; en vervolgens rechthoekig op deze hoofdraai, op onderlinge afstanden van 10 M. midden op midden, zoogenaamde dwars- of bonkgruppen, ter diepte en breedte van ongeveer 0.80 M. Door deze begreppeling klinkt het veen in; en naarmate het vaster wordt, worden ook de begruppingen verdiept, totdat zij den vasten zanderigen onderbodem van het veen bereiken.

Dan kan het verveenen aanvangen, hetgeen op de volgende wijze geschiedt: Ter weerszijden van de hoofdraai wordt het veen over een breedte van ongeveer 4 1/2 M., zoo mogelijk tot op den zandgrond, als turf gestoken, met kruiwagens naar het aangrenzend terrein gebracht, om daar te drogen, en vervolgens in hopen gezet. Ieder jaar wordt de uitgegraven ruimte ter weerszijden van de hoofdraai verbreed, totdat men genoegzaam ruimte heeft gemaakt om het kanaal - dat natuurlijk diep in den zandbodem reikt - te graven, en den uitkomenden zandgrond op de reeds afgeveende zijstroken te bergen.

Geen wonder dan ook, dat waar het werk betrekkelijk zr krachtig werd aangevat, weldra gebrek aan werkkapitaal ontstond. In 1809 aangevangen, was in 1811 het kanaal reeds tot de eigenlijke veengronden genaderd - 22 kilometer van Hasselt verwijderd - in 1815 tot in de marke Arrin (een vijftal kilometer verder), in 1825 tot in de markte van Lutte (nog een vijftal klometer verder). In 1817 werd dan ook door de erven Van Marle op vaart en veenen eene leening gesloten van f 430,000; en drie jaar later op d reeds verbonden eigendommen en nog eenige honderden bunders onbezwaarde veenen, den heer Van Dedem toebehoorende, een tweede negotiatie, groot f 350,000.

En nog bleven de geldmiddelen onvoldoende. Daarom trachtten de eigenaars met de heeren Vlaer & Kol te Utrecht te onderhandeen over een loterij, waarbij de te verloten veenen berekend werden tegen een waarde van f 300 per bunder, en toen dit plan mislukte, klopte men aan bij de Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter begunstiging van Volksvlijt te Brussel (wij waren toen nog met Belgi verbonden) teneinde geld tegen verminderde rente te bekomen.

En toen ook dit ondoenlijk bleek, trachtten de eigenaars eerst een nieuwe hypotheek te sluiten van f 1,200,000, later een naamlooze vennootschap te vormen, waarin vooraf voor f 1,400,000 werd deelgenomen. Doch beide pogingen hadden geen succes, en de vaart, welke ruim f 800,000 had gekost, werd in 1825, ten einde raad, door Van Dedem voor f 390,000 aan het Rijk afgestaan, waarbij de opbrengst der kanaalgelden ad f 13,000 's jaars, tegen de penning 30 tot maatstaf was genomen; een belachelijk laag cijfer, wanneer men bedenkt dat weinige jaren later die opbrengst tot het drie- en vierdubbele steeg.

Behalve die vaart, bezaten de ondernemers nog een twaalfhonderd hectaren veen in eigendom, waarop Koning Willem I een voorschot verleende van f 179,500, waardoor het mogelijk werd de gedane geldleeningen geheel af te lossen.

De eenige die eigenlijk bij dit alles wl was gevaren, was... de Rijks schatkist. Alleen aan registratie- en overschrijvingsrechtten - aldus zuchtte Van Dedem - had hij en zijne mede-eigenaren f 61,000 betaald. "Het strikste recht, zoo schrijft hij, moge deze vordering billijken, aanmoediging tot ondernemingen van dien aard door particulieren, is er weinig in te vinden".

Aan den anderen kant heeft het Rijk iets later eene welwillendheid betoond, die - voor zoover bekend - eenig is in onze waterstaatsgeschiedenis. Het was Van Dedem een groote grief zijn kanaal in vreemde handen te zien, vooral daar bij de verdere uitbreiding en door de toename der scheepvaartbeweging, de inkomsten er van ruimer vloeiden. Gesteund door den koopman Jan Heere van Amsterdam, eigenaar van veenen aan de Dedemsvaart, gelukte het hem een geldleening te sluiten bij de heeren Vlaer en Kol te Utrecht van f 1,500,000, waarmede ten eerste het koninklijk voorschot werd terugbetaald, en verder voor een zelfde bedrag als indertijd van het Rijk ontvangen was, het kanaal werd teruggekocht (1828).

Maar... slechts de eerste termijn van die koopsom werd betaald; allerlei financieele en andere moeilijkheden ontstonden, en eindelijk, in 1844, nadat de werken reeds langen tijd in onvoldoenden toestand waren geraakte werd besloten tot publieke verkoop.

De hoofdvaart was toen ongeveer 40 K.M. lang, negen zijtakken hadden te zamen een lengte van ongeveer 26 K.M., en onder de talrijke kunstwerken bevonden zich een 11-tal sluizen of schutten. Een aardig kijkje op de financieele zeden van toenmaals geeft de volgende bijzonderheid : De voornaamste gegadigde voor de koop was de provincie Overijsel. Maar deze had geen geld en slechts zeven weken zouden verloopen tusschen het tijdstip waarop de uitslag van den verkoop bekend zoude worden, en het tijdstip van betaling! welke zeven weken voor de formaliteiten verbonden aan het sluiten van eene geldleening z onvoldoende geacht werden, dat de Staten maar besloten af te zien van het doen van een bod. Gelukkig kwam een Amsterdamsche firma Overijsel te hulp. De heeren Leembruggen, Gupin en Muysken boden aan eene leening te negotieeren, aan te gaan voor den tijd van 25 jaren, tegen eene rente van 4 1/4 % en met jaarlijksche aflossingen van f 20,000. Indien na 25 jaren het kapitaal niet mocht zijn gerembourseerd, zoude de leening geacht worden zoo lang te zijn verlengd, als bij eene voortgaande aflossing van f 20,000 noodig zoude zijn; terwijl als onderpand, behalve de gewone inkomsten der provincie, speciaal verbonden zoude worden de Dedemsvaart met dezelver opbrengst. Hoog stond dus het krediet van Overijjsel niet aangeschreven!

Eenigszins gewijzigd werd dit aanbod aangenomen; de rente werd op 4 % bepaald, geen hypothecair verband werd toegestaan, en de provincie behield zich het recht voor om na 1860 of den rentevoet te verlagen of het kapitaal geheel af te lossen. Zoo was dus de financieele moeilijkheid tijdig opgelost, doch niet de administratieve. Op deze leening was namelijk de Koninklijke goedkeuring vereischt; zij werd door Gedeputeerde Staten niet in den door den Minister gewenschten vorm aangevraagd, deze gaf den 25en Augustus 1845 van zijne bezwaren kennis, die brief kwam eerst den 30en Augustus bij Gedeputeerde Staten aan (er waren nog geen spoorwegen !); er moest dus opnieuw heen en weer geschreven worden en den 8en September zoude de veiling plaats vinden! Per omgaande werd een nieuw verzoek aan den Koning opgesteld, en gelukkig - n dag vr de veiling - kwam het Koninklijk besluit van 3 September, waarbij de vereischte machtiging verleend werd, bij Gedeputeerde Staten in.

Voor f 404,400 werd de Provincie eigenaar van het kanaal, dat sedert niet meer in andere handen is overgegaan. Ter voldoening van den koopprijs, en met het oog op de voortzetting der werken, werd toen met de firma Leembruggen, Gupin en Muysken eene leening van 550,000 gesloten. De firma zoude voor het fournissement van het kapitaal genieten 1 % commissie, voor het bedrag der betaalde coupons 1/2 % provisie, en voor het bedrag der uitbetaalde, afgeloste aandeelen 1/8 % provisie; voor die tijden waarlijk een zeer bescheiden bedrag.

Oppervlakkig mogen bovenstaande geldelijke mededeelingen van weinig belang schijnen, alleen zulke stellen in staat zich een juist denkbeeld te maken van de moeilijkheden waarmede men toen ter tijde te kampen had, en welke onwillekeurig herinneren aan de bezwaren welke een drietal eeuwen geleden de Hoeuffts, de Herwarth's, de Coymans', Van Ens', Voortcamp, Slicher, en zoovele andere Nederlanders in Frankrijk ondervonden, toen zij in 't zuiden, in 't westen en in het centrum van dat land moerassen drooglegden en ontgonnen (zie "De Gids" van October 1891).

Met den overgang van het kanaal in handen der Provincie, eindigden natuurlijk dergelijke moeilijkheden, en de verdere financieele geschiedenis van het kanaal is dan ook zonder belang. Alleen is vermeldenswaard, dat ook hier de concurrentie dwong tot wat uit vrijen wil nooit gegeven zoude zijn. De opbrengst van sluis- en andere gelden welke in de laatste jaren vr den overgang aan de provincie Schommelde tusschen f 31,000 en f 46,000 's jaars, in 1858 zelfs het bedrag van f 86,000 bereikte, doch later zich gewoonlijk tusschen 60,000 en f 70,000 bewoog, daalde namelijk aanmerkelijk toen in de Hoogeveensche vaart een concurrente ontstond.

Dientengevolge besloot men in 1896 het tarief ongeveer 33 % te verlagen, wat niet zonder invloed bleek op de scheepvaartbeweging, vooral wat betreft het doorgaand verkeer; want terwijl in 1895 nog geen 30 % der ontvangsten voortkwam uit dit verkeer, was dit in 1900 reeds tot bijna 44 % gestegen - al moge dan ook het oude inkomstencijfer na die tariefsverlaging op lange na nog niet bereikt zijn.

Wat de uitgaven betreft, volgt uit de door den heer Teixeira gegeven cijfers, (welke hij, jammer genoeg, niet samenvoegt, noch er conclusin uit trekt) dat het kanaal, zoo al geen goudmijn voor de Provincie, toch zelfs, afgescheiden van de indirecte voordeelen, geen lastpost kan genoemd worden.

En van de grootte dier indirecte voordeelen kan ieder zich overtuigen, die zich een rit getroost op den stoomtramweg Zwolle-Dedemsvaart-Coevorden. Want de moeras-eenzaamheid van den aanvang dezer eeuw is thans z bevolkt, dat het kanaal alln niet meer aan de behoeften van het verkeer kan voldoen. In 1886 op bescheiden voet aangevangen, in 1895 en '97 uitgebreid tot aan de hierbovengenoemde eindpunten, is de tram thans een zoo belangrijk verkeersmiddel, dat zijne inkomsten aanmerkelijk die van het kanaal overtreffen; wel een bewijs hoezeer heden ten dage de snelheid in vele gevallen alle andere factoren van het vervoer overheerscht. Maar zonder het kanaal ware nimmer de tram noodig geworden; en wat ook de toekomst moge brengen, Van Deden zal steeds als de vader van dit land zijn aan te zien, want zonder zijn krachtig initiatief, zijne onvermoeide pogingen trots gelden andere zorgen, ware nimmer deze nijvere streek ontstaan. Zelfs nu nog zijn er in ons land genoegzaam groote, woeste oppervlakten, die veroorloven zich een denkbeeld te vormen hoe in vroeger tijden die veenen er moeten hebben uitgezien, en zakt de schoen er in den drassigen bodem, het hart zakt in de schoenen, als het oog rondwaart over de troostelooze hoogvlakten, welke de allen groei tegenhoudende, echt conservatieve veenmassa vormt.

Al het bovenstaande werd genoegzaam alleen ontleend aan de eerste korte afdeeling van het werk van den heer Teixeira. Want het eigenlijke doel van dit werk - waaraan dan ook verreweg de meeste ruimte werd afgestaan - is het geven van eene uitvoerige technische en administratieve beschrijving van de vaart; door welke beschrijving voorkomen kan worden dat later, uit onbekendheid met den eersten toestand, maatregelen worden genomen, of worden toegelaten, die bij betere kennis van den stand van zaken zouden zijn nagelaten of belet.

Het werk vormt een soort legger derhalve, vooral ten dienste van hen die later dit kanaal zullen beheeren - en het zoude als zoodanig voor het grootere publiek zonder belang wezen, indien het niet van algemeene bekendheid ware, dat de Dedemsvaart in vele opzichten tot de beste voorbeelden van kanalenbouw en kanaalbeheer mag worden gerekend.

Daarbij is zeker als bijzonder gelukkige omstandigheid het feit in aanmerking te nemen, dat vanaf de overname van de vaart door de provincie, tot kort geleden, altijd dezelfde persoon, de in technische kringen welbekende hoofdopzichter Breukel, met het toezicht op de werken belast is geweest, en dat ook de hoofdingenieur van den Overijselschen waterstaat, Dking Dura, z vele jaren ongestoord het bevel heeft kunnen voeren. Vandaar eene eenheid van gedachte, een geregeld voorwerken in dezelfde lijn, k bij de groote verbeteringen der laatste jaren, waardoor dit provinciale werk zich gunstig onderscheidt van vele Rijkswerken, welke al te duidelijke sporen dragen van de daar heerschende verhuizingsmanie.

Dit maakt dan ook dat ieder, die met, kanalen in aanraking komt, ten zeerste kan aanbevolen worden kennis te maken met dezen welgeslaagden arbeid van den voormaligen adjunct-ingenieur. En wat hen betreft, die den tijd niet hebben het lijvige werk te doorloopen, (dat behalve eene uitvoerige technische beschrijving van het kanaal, een uiteenzetting van den administratieven dienst van den waterstaat en de reglementen en tarieven van de vaart bevat), deze kunnen althans met vrucht raadplegen den atlas van 17 platen, welke de sluizen, bruggen, stuwen en woningen weergeeft van dezen even zuinigen als practischen waterweg.
"
R. TUTEIN NOLTHENIUS
Algemeen Handelsblad. Amsterdam, 31-5-1903

In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant van 1903 werd het boek besproken in een drietal artikelen : I, II en III.

De uitgave

Voordat het boek kon worden uitgegeven was er, zoals gebruikelijk, nogal wat discussie of dat wel of niet zou moeten gebeuren en in welke oplage.

Zomerzitting der Staten van Overijssel :

Er is nog een voorstel van Gedep. Staten ingekomen en wel om over te gaan tot het uitgeven van een Beschrijving van de Dedemsvaart, het werk van jhr. L. F. Teixeira de Mattos. Tijdens de heer T. de M. in dienst is geweest van de provincie Overijssel zag hij zich belast met een deel van de voorbereiding der sedert uitgevoerde verbeteringswerken van het benedenpand der Dedemsvaart en bespeurde hij, dat er van deze belangrijkste der provinciale bezittingen geen behoorlijke beschrijving of geschiedenis bestaat. Hij heeft dat werk ondernomen en voltooid en de hoofdingenieur van den provincialen waterstaat heeft er een voorwoord ter aanbeveling bijgevoegd. Hij is bereid dit werk aan de provincie af te staan, onder de voorwaarde dat de druk en de inrichting van het geheel onder zijn leiding zal geschieden en hij een 30tal exemplaren kosteloos erlangt.
Gedeputeerde Staten achten het werk van belangrijke waarde. Het bevat: a. de geschiedenis van de Dedemsvaart tot de eigendomsovergang op de provincie in 1845; b. de beschrijving der vaart en van haar onderdeelen en kunstwerken; c. de administratie met reglementeering en tariefeering, terwijl er een aantal bijlagen, platen, fotografien en een kaart bij zijn gevoegd.
De uitgave, met inbegrip van de reproductie der platen enz., wordt voor 200 exemplaren geschat op f 2727.85 en voor 300 op f 3096 85. Ged. Staten stellen voor tot de uitgave over te gaan en de oplage te bepalen op 300 exemplaren, terwijl de prijs van het werk op f 15 zal worden gesteld.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant. 2-6-1902
Bij het voorstel van Ged. Staten tot aanvaarding en het doen uitgeven en drukken van het handschrift, bevattende een beschrijving van de Dedemsvaart c.a., der provincie aangeboden door jhr. L. F. Teixeira de Mattos, ontspon zich nog een uitvoerig debat. Wij hebben het voorstel indertijd in bijzonderheden vermeld. De C. v. R. stelde voor aan Ged. op te dragen tot de uitgave over te gaan na ook bij andere uitgevers prijsopgave te hebben gevraagd, en dus op een wijze uit financieel en technisch oogpunt zoo voordeelig mogelijk voor de provincie, terwijl zij de hoeveelheid der exemplaren 200 a 300 en de beschikking daarover nader aan Ged. Staten wilde overlaten. Ze zouden ook in den handel kunnen worden gebracht voor b.v. f 15 per stuk.
De heer Hoven had de afdeeling-vergadering, waarin dit punt besproken werd, niet kunnen bijwonen. Hij waardeerde het aanbod van den heer Teixeira en zou het werk een aanwinst achten voor het archief der provincie. Werd het daarin geplaatst, dan was dit ook een satisfactie voor den schrijver. Van de uitgave verwachtte spr. weinig voordeel en hij wilde er geen f 3000 voor toestaan, 't Boek zal door de leden bij hun overige boeken worden gezet en niet verder worden ingezien.
De Voorzitter was zijnerzijds van meening dat de satisfactie voor den schrijver al zeer gering zou zijn, als 't werk eenvoudig in het archief werd gedeponeerd en de Staten het niet de moeite waard achtten tot de uitgave over te gaan. Bij erkenning der waarde van 't werk moet men het uitgeven evenzeer waardeeren.
De heer Van Heemstra achtte de uitgave niet volstrekt noodig, daar de bronnen toch ter beschikking van de provincie zijn, maar hij wil toch niet ontkennen dat zij nut kan hebben. Op zijn vraag of het de bedoeling is ook andere drukkers dan de firma van wie Gedep. Staten prijsopgave vroegen in de gelegenheid te stellen daartoe mede te dingen, antwoordde de Voorzitter dat de rapporteurs dit hebben voorgesteld en Gedep. Staten daaraan gevolg zullen geven. Zij zullen de uitgave doen op een wijze voor de provincie financieel en technisch 't meest aanbevelenswaardig.
De heer Stork wist niet of de heer Hoven 't omvangrijk werk had gezien, 't Is van zeer veel waarde en spr. meent dat de Provincie wel zal doen het gracieuse aanbod van den heer Teixeira aan te nemen. Als de Staten het wilden aankoopen voor het archief, dan zou het zeker veel duurder uitkomen dan hetgeen nu voor het drukken en uitgeven vereischt wordt. Het is veel waard voor de Staten het te kunnen raadplegen in voorkomende gevallen. Nu zegt de heer Van Heemstra wel dat alle bronnen toch beschikbaar zijn, maar dat is niet juist. Veel van 't geen hier wordt medegedeeld berust op mededeelingen van menschen van hoogen leeftijd en die bronnen verdwijnen.
De heer Hoven had met veel genoegen de teekeningen en fotografien bewonderd en hij blijft er bij, dat het voor 't archief waarde heeft, maar voor de leden, ieder voor zich, acht hij 't niet noodig. Moeten zij omtrent de Dedemsvaart iets weten, dan zijn de bronnen na te gaan. Spr. waardeerde het dat de heer Teixeira gelegenheid heeft gevonden er zijn tijd aan te besteden, toen hij bij de Provincie werkzaam was. Die waardeering zou nog grooter zijn als hij het ook had laten drukken.
Over de meerdere of mindere onbaatzuchtigheid van den heer Teixeira zou de heer Stork hier niet spreken, misschien zou de heer Hoven nog onbaatzuchtiger zijn geweest. Maar 't is niet juist dat men alles kan vinden in 't archief ook zonder dit werk. De heer Teixeira heeft veel vastgelegd wat van hier en ginds is bijeengebracht.
De heer Bennink achtte het, als de bronnen aanwezig zijn, zooals de heer Van Heemstra zeide, niet noodig nog f 3000 voor 't werk uit te geven.
Nadat de Voorzitter hem nog kort heeft geantwoord, wees de heer Wicherlink meer uitvoerig op de beteekenis van 't werk waar het de geschiedenis geeft uit den tijd vr de Dedemsvaart in 't bezit was van de Provincie, een tijdperk, waarover natuurlijk in 't archief der Provincie geen gegevens voorhanden zijn. Ook het oraal onderzoek, door den heer Teixeira ingesteld, verhoogt de waarde zeer en maakt het tot een werk voor de Provincie, als eigenaresse der Vaart, ongetwijfeld van 't hoogste belang.
Met 35 tegen 7 stemmen werd daarop 't voorstel aangenomen. Tegen de hh. Van Pallandt, Essink, Van Sonsbeeck, Johannink, Hoven, Kok en Blijdenstein.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant. 11-7-1902

De aanbesteding :

Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel, uitvoering gevende aan het besluit der Staten van 9 Juli 1902, nr. 13, betreffende het handschrift van Jhr. L. F. Teixeira de Mattos, stellen de gelegenheid open voor inschrijving op het drukken van dat werk. De voorwaarden en het handschrift liggen voor gegadigden ter inzage aan het gebouw van het provinciaal bestuur op Woensdag den 20en, Donderdag den 21en en Vrijdag den 22en Augustus, des voormiddags van 10 tot 12 uur. Inschrijvingen moeten vr 15 September 1902 worden ingeleverd ter provinciale griffie te Zwolle.
Zwolle, 14 Augustus 1902.
De Gedeputeerde Staten voornoemd, G. WICHERLINK, Voorzitter. VAN MARLE, 1. Griffier.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant. 15-8-1902
Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel ; Overwegende, dat het is gebleken dat de voorwaarden, waaronder de inschrijving op het drukken van het werk van den heer Teixeira de Mattos betreffende de Dedemsvaart is opengesteld, wijziging en aanvulling behoeven; brengen ter kennis van belanghebbenden: 1. dat in de bepaling dier voorwaarden omtrent het zetwerk in plaats van 20 vel gelijktijdig" zal worden gelezen 10 vel gelijktijdig" en dat het werk zal moeten worden opgeleverd gebonden in twee banden. 2. dat de gelegenheid tot kennisneming van het werk en van de voorwaarden alsnog wordt opengesteld op Woensdag en Donderdag 3 en 4 September a.s., van des morgens 10 uur tot 12 uur, aan het gebouw van het provinciaal bestuur.
Zwolle, 28 Augustus 1902.
De Gedeputeerde Staten voornoemd, LYCKLAMA, Voorzitter. VAN MARLE, 1 Griffier.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant. 29-8-1902
Bij de publieke inschrijving door Ged. Staten der provincie Overijssel voor het drukken van een oplage van 200 of 300 exemplaren van het werk van jhr. Teixeira de Mattos over de Dedemsvaart c. a., tot de uitgaaf, waarvan door de Staten der provincie in hun jongste zomervergadering is besloten, zijn drie aanbiedingen ingekomen, nl. van de firma W. E. J. Tjeenk Willink alhier, voor 200 exemplaren f 2765 en 300 idem f 3090. Van de Deventer Boek- en Steendrukkerij te Deventer, 200 exemplaren f 2068 en 300 idem f 2488. Van de firma De Erven J. J. Tijl alhier, 200 exemplaren f 1857.14 en 300 idem f 2222.64. De uitvoering van het werk is aan laatstgenoemde firma, die het laagst inschreef, gegund.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant. 26-9-1902